China’s morele crisis: de nieuwe bourgeois


Dit is het tweede deel van een samenvatting van delen van Jiwei Ci’s boek Moral China in the Age of Reform (deel 1 is hier te lezen). In deel 2 van de samenvatting kijken we naar de factoren vrijheid, armoede en de belangrijkste ontwikkelingen na 40 jaar van hervormingen.

Sinds de hervormingen die eind jaren ’70 zijn ingezet heeft de Communistische Partij zich grotendeels teruggetrokken uit de levens van de burgers en heeft daarmee ook de verantwoordelijkheid teruggelegd bij die burgers. Tegelijkertijd, maar vooral sinds de jaren ’90, heeft het Chinese volk in rap tempo diverse nieuwe vrijheden in economische activiteiten en privéleven verworven: de vrijheid om privévermogen op te bouwen, de vrijheid om bepaalde behoeften te bevredigen (seks, consumptie, informatie, e.d.), de vrijheid om te verhuizen naar een ander land, etc.. Dit ging gepaard met de opwinding over de afname van materiële schaarste en het wegvallen van decennia van genotsonthouding onder een zwaar gemoraliseerde regulering van het dagelijks leven door de Partij. De nieuwe welvarenden hebben in hun rijkdom en materiële bevrediging nieuwe vormen van prestige en macht ontdekt.

Tijdens de hervormingen na de dood van Mao zijn de sociale en ideologische omstandigheden echter uitgehold. Ideologische communistische waarden hebben plaatsgemaakt voor hedonisme, individualisme en consumentisme. Maar het nihilisme dat ontstond als reactie op het falen van het communistische experiment (zie deel 1) heeft een moreel en spiritueel vacuüm achtergelaten dat niet gecompenseerd kan worden door materiële welvaart. Wat ontbrak was zingeving en gelijkheid in die welvaart.

De rol van de staat in het voorzien in werkgelegenheid en levensonderhoud is drastisch verkleind. Daarmee is voor de staat ook de materiële basis voor het afdwingen van loyaliteit en gehoorzaamheid bij het volk grotendeels verloren gegaan. Bij deze nieuwe vorm van zelfbeschikking, waarin de burger zelf kan bepalen hoe hij zijn geld verdient en een eigen identiteit en zingeving bepaalt, wordt de Communistische Partij voor het eerst gezien als een bemoeial bij  persoonlijke keuzes.

Armoede

Armoede speelt volgens Jiwei Ci een belangrijke rol in de morele crisis. Hij onderscheidt daarbij drie soorten armoede:

  1. Armoede in levensonderhoud: dit betreft enkel fysieke behoefte (denk aan voeding) en is niet per definitie vernederend; het hoeft in essentie geen negatieve sociale betekenis te hebben. Dit soort armoede is het gevolg van extreme schaarste of ongelijke verdeling van middelen.
  2. Armoede in status: situaties waarin armen de laagste sociale status hebben dankzij, of met als gevolg, hun lage inkomen. In tegenstelling tot armoede in levensonderhoud is het probleem hier sociaal, niet fysiek. Statusarmoede tref je aan in samenlevingen waar sociale status sterk verbonden is aan zaken die geld vereisen; waar geld een maatstaf is voor sociale status. Armoede in status leidt tot uitsluiting van bepaalde sociale activiteiten. Armoede in levensonderhoud kan opgelost worden door het wegnemen van de schaarste, maar statusarmoede enkel door het verzwakken van de koppeling tussen inkomen en status.
  3. Armoede in keuzevrijheid: er zijn mensen die zeer sober en eenvoudig leven uit eigen keuze (de asceet) en mensen die ongewild arm zijn. Bij deze laatste vorm van armoede leidt een gebrek aan materiële middelen tot verlies van keuzevrijheid en gebrek aan zelfrespect. Het is vernederend en ontmenselijkend. Een samenleving faalt in het voorkomen van armoede in keuzevrijheid wanneer het groot belang hecht aan individueel inkomen als een middel tot sociale participatie, wanneer het rijkdom systematisch koppelt aan erkenning, en wanneer het tegelijkertijd een sterke ongelijkheid in welvaart toestaat. Volgens Ci is een grote tekortkoming van een ondemocratische samenleving, dat de burgers de samenleving en de overheid niet verantwoordelijk kunnen houden voor het wegnemen van armoede in keuzevrijheid.

Veel van de armoede in China (en andere delen van de wereld) betreft niet simpelweg materiële schaarste, maar een uitermate slechte combinatie van armoede in levensonderhoud, status en keuzevrijheid.

Onder Mao was er ernstige armoede in levensonderhoud, maar dat leidde normaal niet tot armoede in status. De strijd tegen materiële schaarste was zelfs een collectief doel van het communisme. Je zou dus kunnen zeggen dat gelijkheid in armoede de mensen samenbracht en aanspoorde tot actie om collectieve welvaart te verwezenlijken. Omdat iedereen even arm was bestond er geen statusarmoede en had armoede in levensonderhoud ook geen negatieve sociale betekenis. Integendeel, het collectieve streven om los te komen uit die armoede had zelfs een positieve sociale betekenis. Armoede was geen obstakel voor sociale participatie en het ontwikkelen van eigenwaarde. Een communistisch ingetogen karakter werd sociaal gewaardeerd en was de basis voor respect en solidariteit. Gebrek aan individuele rijkdom en bezittingen was zelfs een politiek vereiste voor participatie.

Na decennia van hervorming bestaat dit communistische ideaal niet langer. Armoede in levensonderhoud heeft geen positieve betekenis meer. Honderden miljoenen Chinezen zijn sinds de hervormingen verlost van armoede van levensonderhoud, maar het heeft plaatsgemaakt voor een nieuw en groeiend probleem van statusarmoede dankzij de waardering van individuele rijkdom. Het bezit van een computer of smartphone, toegang tot internet, de mogelijkheid om je volgens de laatste mode te kleden, het bezoeken van de juiste plekken voor entertainment en consumptie, eigendom van een comfortabel appartement, een passende auto en regelmatig recreatief reizen zijn allemaal noodzakelijke voorwaarden voor normale zelfvorming en respect geworden in China.

Hoewel de armsten tegenwoordig beter kunnen voorzien in levensonderhoud hebben zij er statusarmoede bij gekregen. Gebrek aan inkomen is nu een obstakel geworden voor deelname aan normale activiteiten als kwalitatief hoogwaardig onderwijs, werkgelegenheid en (hedonistische) consumptie. Participatie is niet langer gebaseerd op politieke status, maar op rijkdom. De fundamentele ongelijkheid tussen stad en platteland is grotendeels blijven bestaan. De vrije mobiliteit van arbeid verricht door plattelandsbewoners zonder de erkenning en basisvoordelen die stadsbewoners genieten heeft geleid tot een enorme kansarme klasse.

Hervormingen en de moderne bourgeois

Jiwei Ci identificeert vijf belangrijke ontwikkelingen sinds de hervormingen:

  1. China heeft communisme als doel voor de Chinese samenleving en haar individuele leden laten vallen. Dit heeft geleid tot:
    • Ontgoocheling; het wegvallen van geloof in een communistische toekomst.
    • Desublimatie; het ontrafelen van de ingetogen, sterk gesublimeerde organisatie van individuele verlangens.
    • Demoralisatie; de ineenstorting van een ethiek die zelfopoffering en altruïsme predikte.

    Individuele levens hoefden hierdoor niet langer geïdealiseerd of gemoraliseerd te zijn en enkel te voldoen aan wettelijke kaders.

  1. De staat voorziet burgers niet langer van levensonderhoud en een levensdoel door exclusieve controle over productiemiddelen en door het volk in te delen in werkeenheden (danwei) en daar activiteiten aan toe te wijzen. Chinezen moeten tegenwoordig meer voor zichzelf zorgen. Collectivisme is vervangen door streven naar realisatie van individuele doelen en wordt enkel nog gekanaliseerd in nationalisme.
  2. Het ontstaan van een nieuw idee over gelijkheid in keuzevrijheid. Het collectieve doel van communisme is vervangen door individuele doelen waarbij sommigen als eerste rijk zullen worden en anderen wanhopig proberen hun achterstand in te halen. Daarmee is gelijkheid voor het eerst een kwestie van vrijheid in het maken van individuele keuzes voor jezelf in plaats van verzorging door de staat.
  3. Waar er vroeger leiders waren wiens wijsheid allesomvattend werd geacht en die daarmee het voorrecht hadden om doelen te stellen voor de hele samenleving, zijn er nu ambtenaren of bestuurders die in wezen belast zijn met het rationeel realiseren van sociaal populaire doelen.
  4. Ten tijde van Mao was de instemming van het volk met het bewind van de staat grotendeels gebaseerd op zijn charisma en de terreur van de klassenstrijd, vooral tijdens de Culturele Revolutie. Met de dood van Mao verdween deze dwangmatige instemming. Rechtvaardiging van staatsmacht moet nu steeds meer in overeenstemming zijn met de instemming van het volk. China wordt momenteel gekenmerkt door populisme waarbij de staat en het volk het grotendeels eens zijn over belangrijke doelen en waarden. Die instemming bestaat steeds vaker uit raadpleging van het volk en beperkte verkiezingen op lokaal niveau. De staat maakt nog steeds de belangrijkste sociale keuzes, maar het volk zet de staat steeds meer onder druk om te leveren wat de staat hen heeft geleerd te verlangen, zelfs al schiet de staat daarbij tekort in het realiseren van sociale rechtvaardigheid. Jiwei Ci spreekt in het boek uitvoerig van een fase van proto-liberale democratie waar China zich in zou bevinden.

In de nieuwe maatschappij waar burgers de vrijheid hebben tot zelfbeschikking en zelfbehoud zijn de Chinezen getransformeerd van een collectief streven naar communisme, naar een menigte eenzame individuën, elk van hen opgesloten in een streven naar een goed leven. Jiwei Ci spreekt hier ook over het beruchte ‘ongeschreven contract’ tussen staat en burgers waarbij de staat deze nieuwe vrijheden toestaat in ruil voor terughoudendheid in eisen om. De grootste sociale onrechten zouden volgens Ci het gevolg zijn van het ontbreken van democratisch toezicht op de politieke macht.

De vijf veranderingen die Jiwei Ci noemt hebben niet geleid tot overeenkomstige veranderingen in het politieke systeem en die worden ook in de voorzienbare toekomst niet verwacht. De hervormingen hebben geleid tot een proto-liberaal democratische samenleving, maar het ligt niet in de lijn der verwachtingen dat de Partij dit zal doorzetten naar een volwaardig liberaal-democratisch model. Het omarmen van populisme en resultaten bij het bereiken van doelen, vooral op economisch niveau, geeft de Partij haar legitimiteit en goedkeuring van het volk. De Partij heeft slecht gepresteerd met betrekking tot sociale rechtvaardigheid, maar heeft alle verwachtingen betreffende het terugdringen van armoede (in levensonderhoud) en realiseren van aanhoudende economische groei overtroffen. De ‘opkomst van China’, ongeacht hoe overdreven en kwetsbaar naar de toekomst deze mag zijn, heeft het Chinese politieke systeem respect gebracht in een tijd van wereldwijde democratisering.

Terugkomend op de morele crisis concludeert Jiwei Ci dat de leegte die is ontstaan door het verdwijnen van communistische waarden een moreel (en spiritueel) vacuüm hebben achtergelaten, een gevoel dat vooral onder jongere generaties heerst. Ook zou de Chinese burger een morele leider of een moreel voorbeeld missen.

In zijn boek besteedt Jiwei Ci veel aandacht aan de definties van ‘vrijheid’, ‘keuzevrijheid’ (agency) en het vraagstuk of een liberaal-democratische samenleving de oplossing zou kunnen zijn voor de morele crisis en armoede in zelfbeschikking. Dat deel van zijn boek valt echter buiten de ‘scope’ van deze samenvatting.