China’s morele crisis: verantwoordelijkheden versus rechten


Sinds ik voor het eerst voet in China zette ben ik gefascineerd door de vermeende morele crisis’ in het land. Werkend in de charitatieve sector in China had ik veel mee te maken met de apathie en het wantrouwen in de Chinese samenleving. Ook de schijnbare noodzaak voor de invoering van een sociaal kredietsysteem is eraan gerelateerd. De vraag wat precies de aard en oorzaak zijn heeft me altijd beziggehouden. Enige tijd geleden schafte ik daarom een aantal boeken aan over het onderwerp. Mijn bevindingen na het lezen van die boeken wil ik graag met jullie delen. Eerder publiceerde ik al deel 1 en deel 2 over Moral China in the Age of Reform van Jiwei Ci. Nota bene: het onderstaande is een uitgebreide samenvatting, zoveel mogelijk in mij eigen bewoording.

Deep China – The moral life of the person (2011) is een boek met essays van 8 verschillende academici uit de wereld van antropologie en psychologie. Het 322 pagina’s tellende boek gaat over diverse onderwerpen die betrekking hebben op de emotionele en morele levens van de Chinezen in de hedendaagse samenleving. Er komen diverse interessante onderwerpen aan bod, waaronder de oorzaken van de AIDS-/HIV-epidemie in de provincie Henan, de Chinese seksuele revolutie, depressie en zelfmoord. In dit artikel beperk ik me echter tot de inleiding en het essay The Changing Moral Landscape van Yunxiang Yan, professor in antropologie aan de Universiteit van Californië, waarin de morele crisis uitgebreid aan bod komt.

In de introductie van Deep China vertellen de schrijvers hoe de identiteit van Chinese individuen voorheen bepaald werd door sociale relaties en familiebanden. Net als Jinwei Ci beschrijven ze hoe Chinezen na het Mao-tijdperk in staat zijn hun eigen identiteit vorm te geven buiten de bestaande sociale hiërarchie, gestimuleerd door marktwerking en sociale mobiliteit die het individu dwingen tot pro-activiteit en eigenbelang. Individuele emoties en wensen zijn niet langer ongepast en worden niet meer onder stoelen of banken gestoken maar openlijk besproken in massamedia, internet chats en andere sociale interacties. Dit in tegenstelling tot de situatie tijdens de Culturele Revolutie, toen je alles beter voor jezelf kon houden zodat het niet tegen je gebruikt kon worden. De generatie die de Culturele Revolutie meemaakte leerde haar hoofd niet boven het maaiveld uit te steken. Maar het werd ook een generatie die extreem sceptisch werd over elke vorm van ideologie en zich vervreemd voelde van elke standaard voor normen en waarden. Het enige wat voor haar telde was dat wat haar hielp te overleven.

Van collectieve verantwoordelijkheden naar individuele rechten

In zijn hoofdstuk in Deep China, The Changing Moral Landscape, beschrijft Yunxiang Yan, dat ondanks de aanhoudende officiële boodschap van de staat over een socialistische samenleving en collectieve ethiek, er in de praktijk een verschuiving heeft plaatsgevonden van autoritaire, collectieve ethiek m.b.t. verantwoordelijkheden en zelfopoffering naar een nieuwe, individualistische ethiek van rechten en zelfontwikkeling. In de vroege jaren ’80 ontstond er een desillusie over de communistische idealen omdat die ver verwijderd waren van de dagelijkse realiteit. Veel Chinezen kwamen tot de conclusie dat egoïsme, in tegenstelling tot wat hen verteld was, onderdeel vormt van de menselijke aard en iedereen er uiteindelijk naar streeft zijn eigen doelen te bereiken. Deze bewustwording stond in sterk contrast met datgene wat het volk eeuwenlang geleerd had van Confucius en wat het communisme hen later had verteld had over collectivisme. Deze ontgoocheling leidde begin jaren ‘80 zelfs tot publieke discussies over de zin van het leven.

Gedurende de jaren ’80 werd er in officiële media en partijpropaganda uitvoerig gewaarschuwd voor de toenemende morele crisis die zou bestaan uit ‘drie ontbrekende zaken’:

  • morele waarden
  • overtuigingen
  • vertrouwen in de communistische ideologie

Na Deng Xiaoping’s tour in Zuid China ter promotie van markthervormingen verloor het collectief denken verder terrein. Hordes ambtenaren die voorheen vastigheid hadden dankzij de ‘ijzeren rijstkom’ van de stabiele overheidsbaan verruilden hun werk als overheidsfunctionaris, wetenschappers en academicus voor een nieuwe loopbaan in de private sector. Hun carrièreswitch bevestigde dat eigenbelang, winstbejag en materialisme acceptabel waren in dit nieuwe tijdperk. Doordat vele overheidsfunctionarissen betrokken raakten in commerciële activiteiten nam ook corruptie een vlucht doordat zij hun machtspositie konden misbruiken voor vergaren van rijkdom.

Net als Jiwei Ci geeft ook Yan in zijn hoofdstuk aan dat arm zijn een schande werd en tegen het eind van de jaren ’90 had het nastreven van rijkdom fetisjachtige proporties aangenomen. In een onderlinge concurrentiestrijd namen veel Chinezen er zelfs een tweede baan bij om extra geld te verdienen.

Moreel vacuüm

In China heerst inmiddels de angst voor een ‘moreel vacuüm’ omdat een morele autoriteit, of het nu Mao of Confucius is, is weggevallen. Yan geeft aan dat een dergelijk vacuüm in de praktijk eigenlijk niet echt kan bestaan omdat iedereen uiteindelijk keuzes maakt op basis van bepaalde normen en waarden. In de perceptie van de mensen kan zo’n moreel vacuüm echter wel bestaan omdat ze overal om zich heen immoreel gedrag waarnemen. Dit geldt vooral voor de oudere generatie die meer gewend is aan een homogeen, verenigd waardesysteem. Net als Jiwei Ci merkt ook Yan op dat nostalgische mensen uit die generatie klagen dat problemen als corruptie, commercieel bedrog, wantrouwen en negatieve concurrentie niet bestonden in de tijd van Mao. Yan geeft echter aan dat onder Mao machtsmisbruik door overheidsfunctionarissen, eindeloze politieke strijd, irrationeel groot vertrouwen in Mao en de angst om door anderen te worden aangegeven andere problemen waren die bij dat tijdperk hoorden. Ondanks het collectivisme waren beloningen daarnaast altijd persoonlijk, waardoor motivatie uiteindelijk vaak toch voortkwam uit eigenbelang.

Yan noemt de verschuiving van verantwoordelijkheden naar rechten de belangrijkste trend in China’s morele landschap. Maar hoewel veel Chinezen hun nieuwverworven rechten omarmen klagen anderen over de teloorgang van de collectieve ethiek van verantwoordelijkheden, vooral het verlies van de zin van het leven dat voorheen werd bepaald door collectieve doelen. Naast de nieuwe vrijheden ontstaat er dus ook een drang naar behoud van collectieve waarden. Streven naar harmonie en welvarendheid voor de familie blijven sterk. Een drang naar het behoren tot een bepaalde cultuur is toegenomen en de middenklasse kiest voor een levensstijl die hun Chinese identiteit bevestigt. Bij de jeugd gaan consumentisme en nationalisme hand in hand en patriottisme is ‘in de mode’.

Uitdagingen

De opkomst van het individu is de meest fundamentele verandering in China na de dood van Mao. De staat werd gedwongen om het Chinese individu meer zelfvoorzienend, zelfsturend en competitief te maken in de nieuwe markteconomie. Dit werd gestimuleerd door een meer tolerante houding t.o.v. individualisme en aanmoediging van consumentisme. In het westen heeft ook individualisering plaatsgevonden maar die is gepaard gegaan met een diepgewortelde democratiecultuur die gelijkheid, liberaal individualisme en een verzorgingsstaat bevordert en het individu beschermt. Deze omstandigheden ontbreken in China en de ontwikkeling van moraliteit en ethiek hebben daardoor een andere koers gevaren. China staat nu voor vier grote uitdagingen:

  1. Allereerst staat de verschuiving naar individualistische ethiek van rechten en zelfontplooiing recht tegenover de oude ethiek van volledige onderwerping van het individu aan de partijstaat. Politieke hervormingen blijven echter uit, wat onder de bevolking resulteert in cynisme, nihilisme, zoals ook Jinwei Ci aangaf in zijn boek.
  2. Dit cynisme en nihilisme, gepaard met zwakke ontwikkeling van sociale autonomie, beperken de ontwikkeling van sociaal vertrouwen dat nodig is in een moderne, zeer mobiele en geürbaniseerde samenleving. Wijdverspreid immoreel gedrag en aanhoudend belang van guanxi netwerken wijzen enkel op het belang van persoonlijk (Meer hierover in het volgende deel in deze reeks.)
  3. Hoewel de levensstandaard van de meeste Chinezen sterk is verbeterd is men zich zeer bewust van de enorme rijkdom die sommigen hebben verworven. Tegelijkertijd neemt de ongelijkheid tussen arm en rijk toe. Hoe om te gaan met deze zaken en de onweerstaanbare drang naar materialisme is een nieuwe morele uitdaging voor het Chinese individu en de samenleving. Nederland stond in de 17e eeuw voor eenzelfde uitdaging door de plotseling opkomende rijkdom, maar de diepgewortelde religieuze waarden die in Nederland heersten ontbreken in China. De nieuwverworven rijkdom intensiveert juist de tegenstelling tussen het spirituele en het materiele en heeft geleid tot toenemende ontevredenheid en ongeluk in een bloeiende economie.
  4. De laatste uitdaging is China’s zoektocht naar moderniteit die gepaard gaat met verstrengeling van oude en nieuwe ethiek, collectieve versus individualistische waarden en moraliteit gestoeld op verantwoordelijkheid versus rechten. Deze verstrengelingen dwingen Chinezen vaak tot moeilijke en soms tegenstrijdige morele beredenering en handelingen.

In het volgende deel van deze reeks kijken we naar het verschil tussen persoonlijk en sociaal vertrouwen en waarom met name het laatste tekort blijft schieten in China.