China’s morele crisis: voedselschandalen en persoonlijk versus sociaal vertrouwen


Sinds ik voor het eerst voet in China zette ben ik gefascineerd door de vermeende morele crisis in het land. Werkend in de charitatieve sector in China had ik veel te maken met de apathie en het wantrouwen in de Chinese samenleving. Ook de schijnbare noodzaak voor de invoering van een sociaal kredietsysteem is eraan gerelateerd. De vraag wat precies de aard en oorzaak zijn heeft me altijd beziggehouden. Enige tijd geleden schafte ik daarom een aantal boeken aan over het onderwerp. Mijn bevindingen na het lezen van die boeken wil ik graag met jullie delen. Eerder publiceerde ik al deel 1 en deel 2 over Moral China in the Age of Reform van Jiwei Ci. Nota bene: het onderstaande is een uitgebreide samenvatting, zoveel mogelijk in mij eigen bewoording.

In het vorige deel in deze reeks besprak ik hoe professor Yunxiang Yan in zijn hoofdstuk The Changing Moral Landscape in het boek Deep China beschrijft hoe collectieve verantwoordelijkheden in China grotendeels zijn vervangen door individuele rechten. In dit deel zien we hoe dat in een samenleving met toenemende mobiliteit niet gepaard is gegaan met groter sociaal vertrouwen.

Voedselschandalen

Yan schrijft uitgebreid over de vele medicijn- en voedselschandalen die het land sinds de jaren ’80 hebben geplaagd. Bij de medicijnschandalen uit de jaren ‘80 was het niet het gevaar voor het welzijn van de burgers dat de aandacht van de overheid trok, maar het feit dat boeren in samenwerking met corrupte lokale overheidsorganen met hun nepmedicijnen concurreerden met farmaceutische staatsbedrijven. Toen de overheid in 1985 ingreep waren er maar liefst 75 fabrieken die meer dan 100 soorten nepmedicijnen produceerden.

Tijdens het melkpoederschandaal van 2008 was het beruchte Sanlu slechts één van de 22 uit 109 onderzochte bedrijven die producten produceerden die vervuild waren met melamine. Het meest schokkende feit was dat er diverse overheidsinstanties betrokken waren bij het schandaal. Betrokkenen kwamen uit alle sociale klassen van de samenleving, van bouwvakkers tot politieke elite. Allen waren ze zich zeer bewust van de consequenties van hun daden en de potentiële schade die deze konden aanrichten aan de gezondheid van anderen. In deze en de meeste andere voedselschandalen bleken fabrikanten en distributeurs echter onverschillig m.b.t. de gevolgen voor de slachtoffers. Het feit dat ze de slachtoffers toch niet kenden was een veelgehoorde reactie.

Van persoonlijk vertrouwen naar sociaal vertrouwen

Het is interessant om te onderzoeken waar deze bedenkelijke houding vandaan komt. Yan schrijft daarom uitvoerig over persoonlijk versus sociaal vertrouwen. Persoonlijk vertrouwen is gestoeld op frequente en langdurige sociale interactie met dezelfde groep mensen, variërend van naaste familie tot een netwerk van collega’s, vrienden en kennissen. Het is vooral van belang in een samenleving met lage mobiliteit en nauwere sociale contacten. Vreemdelingen worden in zo’n samenleving vaak met aan paranoïde grenzend wantrouwen bejegend. In een open samenleving met veel mobiliteit, zoals de Chinese steden, zijn er echter veel sociale interacties met individuen die elkaar niet kennen en niet verwachten elkaar in de toekomst weer te zullen treffen. In zo’n situatie ontbreekt persoonlijk vertrouwen en is er behoefte aan sociaal vertrouwen gebaseerd op moraliteit en universele waarden. Sociaal vertrouwen is een meer algemeen vertrouwen in sociale instellingen, deskundigen die de regels handhaven en vreedzame en heilzame omgang met vreemdelingen. Sociaal vertrouwen is een randvoorwaarde voor hedendaagse samenlevingen en economieën met een hoge mate van mobiliteit. Het is opmerkelijk dat in China de snelle ontwikkeling van een markteconomie juist samen is gegaan met een afname van sociaal vertrouwen.

Van origine heeft China een samenleving gebaseerd op interpersoonlijke relaties en daarmee laag sociaal vertrouwen. Morele rechten en plichten worden ontleend aan de plaats in interpersoonlijke relaties; ouders en kinderen, man en vrouw, vrienden onderling. Deze rechten en plichten zijn niet van toepassing op personen buiten iemands sociale netwerk. Naarmate de sociale afstand tussen personen groter is groeit het wantrouwen en kan zelfs uitmonden in vijandigheid. Dat wantrouwen in vreemdelingen is van generatie op generatie doorgegeven.

In China heeft men vaak geen moeite met het slecht behandelen van een buitenstaander, terwijl hetzelfde gedrag naar iemand uit de eigen groep onacceptabel zou zijn. Aan deze opmerking van Yan zou ik graag een persoonlijke noot toevoegen. Ik heb tegenover mijn vrouw regelmatig mijn verbazing uitgesproken over het feit dat Chinezen de mond vol hebben van het voorkomen van gezichtsverlies, maar er niet voor terugdeinzen elkaar in het openbaar de huid vol te schelden en zelfs met elkaar op de vuist te gaan. In bepaalde opzichten kunnen Chinezen buitengewoon agressief zijn tegen elkaar. Mijn vrouw legde me dan altijd uit dat het vreemden betrof die zich niet bekommerden om het gezichtsverlies van de ander; ze hebben geen sociale plicht naar elkaar omdat ze elkaar niet kennen. En ik heb haar zelf ook enkele malen aangesproken op het feit dat zij vreemden in China ook niet altijd even hoffelijk behandelde. Na ruim 6 jaar in Nederland en een bezoek aan Taiwan waar ze zich verbaasd had was over de omgang tussen mensen, heeft ze echter gezien dat het ook anders kan.

Zelf onder Mao’s beleid van collectivisme is de scheiding tussen in-group en out-group sterk gebleven. De vijandigheid jegens politieke vreemdelingen wakkerde dit tijdens de Culturele Revolutie alleen nog maar aan, uitmondend in gewelddadigheid. Het is precies deze logica van scheiding tussen in-group en out-group die de schuldigen van de voedselschandalen ook aangrepen. En het zijn juist de vele voedselschandalen die het openbaar vertrouwen in moraliteit zo hebben aangetast. Men wist niet langer wie men nog kon vertrouwen en welke producten nog veilig waren om te eten. Het eerdergenoemde sociale vertrouwen liep ernstige schade op. Onbegrensd nastreven van individuele belangen en winstbejag zijn de drijfveer achter de productie en distributie van onveilig voedsel en namaakartikelen die het sociale vertrouwen zo hebben geschaad.

Morele autoriteit

Ethische verantwoordelijkheid wordt meestal gedreven door een morele autoriteit die gehoorzaamheid afdwingt. In het westen was die autoriteit meestal God en is later vervangen door de staat en de samenleving, hoewel religie een belangrijke invloed bleef behouden. In China waren het de hemel, de familie, de gemeenschap en later Mao en de communistische moraal. In beide gevallen is de absolute autoriteit weggevallen na de verschuiving van ethiek van verantwoordelijkheden naar ethiek van rechten (zie het vorige deel in deze serie). De autoriteit over het individu is nu het individu zelf. Dat individu zoekt echter bescherming door sociale instellingen, maar zij kunnen het individu alleen beschermen als sociaal vertrouwen, de rechtstaat, ‘checks and balances’ op macht, en vrijheid van meningsuiting goed zijn ontwikkeld. In China kan het individu niet rekenen op een dergelijke bescherming door sociale instellingen. Zoals de diverse gevallen van nepgoederen en onveilig voedsel, maar ook onveilige bouw, aantonen, schoten juist de instellingen die verantwoordelijk waren voor de controle op de kwaliteit en veiligheid tekort. In veel gevallen waren ze zelfs actief betrokken bij de misstanden. Ook de wijdverspreide ontwikkeling van individuele corruptie tot collectieve en geïnstitutionaliseerde corruptie speelt een rol bij het groeiende wantrouwen.

Een Chinese socioloog, Peng, noemt 6 soorten wantrouwen die in het hedendaagse China bijdragen aan de crisis in sociaal vertrouwen:

  • Wantrouwen in de markt dankzij gebrekkige producten en slechte service
  • Wantrouwen in dienstverleners en vreemden
  • Wantrouwen in vrienden en zelfs familie
  • Wantrouwen in wetshandhavers
  • Wantrouwen in de wet en juridische instellingen
  • Wantrouwen in fundamentele morele waarden

Niet alles kommer en kwel

Al met al is Yan’s hoofdstuk geen vrolijke materie. Gelukkig beschrijft hij ook een meer positieve trend en doet uitvoerig uit de doeken hoe er in de afgelopen decennia met name in de steden ook een bereidheid tot liefdadigheidswerk en filantropie is ontstaan. In 1949 was er met de komst van de Communistische Partij een einde gekomen aan traditionele filantropie toen de staat de verdeling van middelen overnam. Donaties werden met wantrouwen bekeken en gezien als pronken met rijkdom. In de jaren ’80 en ’90 deed liefdadigheidswerk zijn herintrede toen de overheid zich realiseerde dat ze niet volledig tegemoet kon komen aan alle wensen van de nieuwe markteconomie. Tegen het einde van de eeuw begonnen gewone burgers na ernstige overstromingen elders in het land ook weer donaties te doen aan goede doelen. Uiteindelijk was het de aardbeving in Sichuan in 2008 die liefdadigheid enorm deed opleven met recordbrekende inzamelingsacties en vrijwilligerswerk, het laatste vooral onder jongeren geboren in de jaren ‘80. Velen waren verrast door de liefdadigheid van een generatie die normaal werd bestempeld als egocentrisch en onverantwoord.

Het opmerkelijke van al deze liefdadigheid is, dat het allemaal gericht was op het helpen van vreemdelingen; een vorm van medeleven ontstaan uit een vrijwillige individuele keuze. Als beweegreden gaven vrijwilligers na de Sichuan aardbeving vaak dat het helpen van anderen hun persoonlijke leven meer betekenis gaf.

Goede doelen moeten in China georganiseerd of op z’n minst formeel gesteund worden door de overheid. In sommige gevallen heeft vrijwilligerswerk door jongeren daardoor wel degelijk een individualistisch doel: het uitbreiden van het netwerk, zoeken naar een zinvol leven, ervaring opdoen met leidinggeven of zelfs het nastreven van een lidmaatschap van de partij. Desalniettemin neemt het bewustzijn over minder individuele zaken als het milieu, welzijn van dieren, houding t.o.v. gehandicapten, mededogen en hulp aan kansarme groepen, tolerantie en acceptatie van diversiteit toe. Naast de eerder beschreven negatieve aspecten van verandering in ethiek en moraliteit zijn er dus ook zeker positieve veranderingen waarneembaar.