China’s morele crisis


Sinds ik voor het eerst voet in China zette ben ik gefascineerd door de vermeende ‘morele crisis’ in het land. Ik schreef enkele jaren geleden al eens artikelen over de vraag waar de apathie en het wantrouwen in de Chinese samenleving vandaan komen. Ook de schijnbare noodzaak voor de invoering van een sociaal kredietsysteem is gerelateerd aan deze crisis. De vraag wat precies de aard en oorzaak zijn is me altijd bezig blijven houden. Enige tijd geleden schafte ik daarom een aantal boeken over het onderwerp aan. Mijn bevindingen na het lezen van die boeken wil ik de komende maanden graag met jullie delen. Ik ben namelijk van mening dat het proberen te begrijpen van een probleem beter is dan ergens klakkeloos stelling tegen te nemen..

Het eerste boek dat ik las was Moral China in the Age of Reform (2014) van Jiwei Ci, een professor in de filosofie aan de Universiteit van Hong Kong. Het boek is geen lichte kost. Ik ben daarnaast niet iemand die snel filosofische of academische literatuur openslaat, maar ik was dusdanig geïnteresseerd, dat ik me door het boek heen heb kunnen worstelen. Niet alles in het boek is voor mij persoonlijk interessant, maar in dit artikel (het eerste van twee delen) hoop ik een samenvatting te geven van de (voor mij) belangrijkste zaken die ik in Ci’s werk heb aangetroffen. Nota bene: het onderstaande is niet mijn persoonlijke mening, maar een vereenvoudigde samenvatting van delen van Jinwei Ci’s boek, hier en daar aangevuld met mijn eigen opmerkingen.

Wat is de morele crisis?

Volgens Jiwei Ci is de morele crisis in het post-Mao-tijdperk zichtbaar in vier fenomenen:

  1. Het op grote schaal schenden van alledaagse normen van samenleven en samenwerken (zowel morele als in wetgeving vastgelegde normen).
  2. Dit gebeurt in elke sector in de samenleving, inclusief het ambtenarenapparaat en de academische gemeenschap. Geen enkel instituut en geen enkele beroepscategorie blijft dit morele verval bespaard. Ci spreekt zelfs van ‘quanmin fubai’ (全民腐败) oftewel ‘corruptie van een heel volk’, hoewel hij erbij vermeldt dat dit niet noodzakelijk betekent dat elk individu moraliteit mist.
  3. De normen die geschonden worden zijn zeer elementair en betreffen basisethiek waar geen discussie over kan bestaan. Schending van dergelijke normen heeft geleid tot onveiligheid in voedsel (denk aan het melkpoederschandaal van 2008 en ‘gutter oil’), medicijnen (denk aan de vaccinatieschandalen van de afgelopen jaren), water, verkeer evenals incidenten in kolenmijnen (kijk de film Blind Shaft, die gebaseerd is op waargebeurde feiten, maar eens). Ook de onwil om slachtoffers van misdaden of ongelukken te helpen is een belangrijk probleem (denk aan het ongeluk met de tweejarige Xiao Yue Yue die werd overreden en door bijna 20 voorbijgangers genegeerd werd).
  4. Deze stand van zaken wordt steeds meer als normaal beschouwd. De media doet uitgebreid verslag van deze misstanden, zonder dat er een echte oplossing wordt geboden. Deze routinematige blootlegging van misstanden wordt daarmee bijna een soort vermaak (‘het schandaal van de week’) en door deze normalisatie verdwijnt het gevoel dat er een crisis is.

Samengevat verstaat Jiwei Ci onder de morele crisis ‘de stand van zaken waarin grote aantallen mensen zich niet houden aan min of meer aanvaardbare regels van sociaal samenleven en -werken’. Wanneer deze misstanden niet tijdig en effectief worden aangepakt resulteert dat bij anderen in een afname van de bereidheid om zich aan de normen te willen houden en daarmee een algehele verslechtering van de situatie. Als anderen de normen ongestraft overtreden en daarmee persoonlijk voordeel behalen en er geen significante verbetering van deze situatie verwacht wordt in de nabije toekomst, waarom zou jij je dan wel gedragen? Het eindresultaat is een samenleving vol wantrouwen en afgunst.

Voorwaarden voor moraliteit

Volgens Jiwei Ci zijn er vier belangrijke randvoorwaarden voor bereidheid om de gangbare normen te volgen:

  1. De geldigheidsvoorwaarde: de opgelegde norm moet gezien worden als redelijk rechtvaardig. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan dan kan dat leiden tot burgerlijke ongehoorzaamheid of zelfs opstand.
  2. De wederkerigheidsvoorwaarde: dit betekent dat de meeste mensen zich de meeste tijd aan de norm houden. Wordt aan deze voorwaarde niet voldaan dan zal de bereidheid om de norm te volgen afnemen, zelfs als aan de geldigheidsvoorwaarde voldaan wordt.

In het hedendaagse China ligt het probleem bij de wederkerigheidsvoorwaarde. Er is een wijdverspreid gebrek aan vertrouwen dat anderen in de samenleving zich aan de normen houden en de staat schiet tekort in de handhaving van de normen waar die verwacht zou mogen worden. Mensen die normaal bereid zijn de basisnormen te volgen zijn daar steeds minder toe bereid als ze zien waar anderen mee wegkomen; de materiële en psychologische kosten voor goed gedrag worden te hoog.

  1. De autoriteitsvoorwaarde: de bereidwilligheid zich te onderwerpen aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor het vaststellen en handhaven van morele normen. Bijzonder betreffende de autoriteitsvoorwaarde in China is dat de Communistische Partij de enige autoriteit voor sociale en wettelijke normen is.
  2. De voorbeeldvoorwaarde: het bestaan van rolmodellen die een voorbeeld zijn voor de naleving van deze normen. Ze worden gezien als morele barometer van de maatschappij en tonen hoe gewone mensen zich zouden moeten gedragen.

Voorwaarde 3 en 4 zijn te groeperen als de identificatievoorwaarde: burgers zouden door identificatie met een autoriteit met een morele voorbeeldfunctie gemotiveerd moeten worden om zich naar de morele normen te gedragen. In China wordt zowel de rol van autoriteit als voorbeeldfunctie in principe ingevuld door hetzelfde instituut: de partijregering in de personen van ambtenaren op verschillende niveaus.

Deze identificatievoorwaarde loopt echter spaak in het post-Mao China; de Partij is actief in morele vermaning, maar mist de voorbeeldrol vanwege de wijdverspreide en openbaar bekende corruptie onder overheidsambtenaren. Met zoveel bewezen corruptiezaken wordt de gehele ambtenarij verdacht van het ergste. Met andere woorden, de autoriteit die de normen vaststelt geeft zelf het slechte voorbeeld. In combinatie met het ontbreken van de wederkerigheidsvoorwaarde betekent dit dat de burger dit slechte voorbeeld volgt en morele scrupules en angst voor represailles overboord gooit. De corruptie onder overheidsambtenaren lijkt de gewone mensen een vrijbrief te geven om zich te gedragen zoals ze willen, vooral als ze denken dat ze er makkelijk mee wegkomen. De morele crisis in het post-Mao China is dus grotendeels een crisis van autoriteit en van rolmodellen. Tot op de dag van vandaag predikt de Partij moraliteit, maar het stuit op cynisme of dovemansoren.

Van utopisme naar hedonisme

Het voorgaande laat zien wat de morele crisis is en waar deze door veroorzaakt wordt. Maar hoe heeft die situatie überhaupt kunnen ontstaan? Volgens Jiwei Ci is de morele crisis in China grotendeels te wijten aan het feit dat het morele kader uit het Maoïstische tijdperk niet is vervangen door een nieuw moreel kader voor China’s nieuwe leefomstandigheden, die zijn ontstaan na de economische hervormingen sinds het einde van de jaren ‘70.

Sinds de communistische partij aan de macht is heeft de burger in eerste instantie een beperkte vrijheid tot zelfbeschikking gehad. De afzwakking van sociale controle en komst van nieuwe vrijheden die de afgelopen 40 jaar hebben plaatsgevonden zouden daarom gepaard gaan met verwarring, egoïsme, onverantwoordelijk gedrag en vormen van corruptie en wetteloosheid. De samenleving is veranderd door de instroom van kapitalistische verlangens en waarden die botsen met de oude socialistisch-communistische overtuigingen van wat ‘goed’ is. Omdat de maatschappij echter nog steeds wordt bestempeld als ‘socialistisch’ is dit aspect nooit openlijk ter discussie gesteld.

China kampt 40 jaar na de openstelling nog steeds met de tegenstellingen tussen het socialistische idealisme en het toenemende materialisme. Volgens Jiwei Ci zit China nog middenin een beweging van utopisme (het communistische ideaal) via nihilisme (de erosie van het geloof in communisme) naar hedonisme (schromeloze uitoefening van rijkdom en plezier). Pogingen om de oude moraal en politieke waarden terug te brengen zouden nu enkel als propaganda gezien worden.

Toch is er wel nostalgie naar vervlogen tijden waar te nemen, vooral onder de minder bedeelden van de oudere generatie. Deze nostalgie heeft echter vooral te maken met ontbreken van positieve kenmerken van die vervlogen tijden in de huidige samenleving, denk aan gegarandeerd inkomen, relatieve gelijkheid in inkomen en beperkte monetaire corruptie. Er is echter geen bewijs voor een wijdverspreid verlangen om terug te keren naar het Mao-tijdperk met het zwaar gereguleerde leven in een gesloten en volledig door de staat gecontroleerde maatschappij. De nostalgie en wrok komen vooral voort uit een gevoel onterecht te worden achtergelaten door de nieuwe maatschappij en niet zozeer uit een algehele afkeur van de nieuwe levensvorm.

In deel 2 van de samenvatting kijken we volgende week naar de factoren vrijheid, armoede en de belangrijkste ontwikkelingen sinds de hervormingen.